Haar stem klonk helder en luid door de stilte van de nacht: “Mama! Mama!” Even stil. En toen: “Mama, waar ben je? Ben je nu in de h-h-hemel?”

De warmte maakte dat ook de ramen van haar kamer wijd openstonden. Kennelijk was ze ergens wakker van geschrokken. Ze had automatisch om haar mama geroepen. Paar minuutjes later was het weer tot haar doorgedrongen dat mama niet meer bij haar was. Haar stem klonk argeloos. Zó vanzelfsprekend ze “Mama!” riep. Dat veranderde in onzeker, klagend, zoekend.
De hitte van het leven, had ook in haar bestaan lijden gebracht – de dood van haar moeder. En nee, dat kan ze nog niet bevatten. Ze is verstandelijk beperkt. Maar ach, als het gaat om lijden en de dood zijn we allemaal toch beperkt in ons verstand? Wie kan het vatten?
Haar vragen klonken luid door de stilte van de nacht. Ik werd er wakker van. Onbedoeld werd iets heel persoonlijks, zomaar hoorbaar.
Jouw vragen doemen ook op wanneer donkerte je omgeeft. In alle stilte. Niemand die daar iets van hoort, laat staan wakker van wordt.
Of wel? Er is altijd Iemand wakker. God slaapt niet en doet zelfs nooit een middagdutje. Hij is de Aanwezige in alle herrie en tumult van de dagelijkse roes. En Hij is de Aanwezige in de oorverdovende stilte van de nacht in jouw leven. Bewogen met jouw ziel, wil Hij helpen, nabij zijn. Troosten. Waar het goed voor jou is, zelfs wel eens antwoorden geven. Omdat het goed voor jou is áltijd van Zichzelf geven. Als jij dat wil.
Het is nacht. Onhoorbaar klinkt een zucht: “Heer waar bent U nu? Ik ben bang!”
“Ik ben bij je… alle dagen, tot de voleinding van de wereld.”