Het “Huisgezin van God”.
Al kende ik het concept theoretisch, voor mij was het onwennig en nieuw, maar wel heel mooi om zo mee te maken in de praktijk! Was het te mooi om waar te zijn? Ik werd er voor gewaarschuwd: wacht maar, de boel gaat een keer uiteen knallen. Dit houdt nooit lang stand. De mensen die dit zeiden waren vast erg teleurgesteld, zo redeneerde ik. Ik hoorde hen, nam hen zeker serieus maar werd er niet zenuwachtig van. Want hé, ruzies horen erbij en meningen kunnen zo uiteen lopen dat wegen ook wat verder op afstand komen te liggen. Wie weet zou ik zelf ook ooit weer eens weggaan, maar tot die tijd zal ik genieten, groeien en leren.
Het “Huisgezin van God”.
Ik voelde me op m’n gemak, zat er middenin. De ‘woonkamer’ werd steeds voller en opeens was daar de eerste keer dat een tasje op een stoel klaargelegd werd – voor straks, daar wilde de eigenaresse van die tas namelijk graag zitten. Vaste plekjes kwamen. Ik trok m’n wenkbrauwen op. Vastigheid is dikke prima hoor, maar wat als er vreemden binnenkomen? Het gezin naast jou iemand meeneemt en dan nu een plekje tekort heeft? Gaat dat dan issues geven? Ik ging wat rechterop zitten.
Het “Huisgezin van God”.
Samen zingen, oh wat deden we dat veel! Compleet met een gelegenheidskoortje voor een speciale dienst. Orgelmuziek, keyboard en soms een complete band wisselden elkaar af. De ene muzikant was meer bedreven dan de ander, maar wat maakte dat uit? Ze begeleidden met ijver en liefde voor de Heer. Prachtig! Tja, maar de band speelt wel hárd hoor, en mag het keyboard wat rustiger en juist het orgel wat sneller? En waarom kan er niet wat meer uit de bundel van Johannes de Heer gezongen worden? Zo werd naast de inhoud van de liederen gaandeweg hun afkomst (psalm / Johannes de Heer / Opwekking) ook steeds belangrijker. De balans-act was in opkomst: van alles wat om iedereen maar tevreden te houden. Klopte het dat het zingen minder écht klonk? En was het toeval dat er geen gelegenheidskoortjes meer waren? Ik zat er ongemakkelijk bij en zong maar niet meer zo vanuit mijn hart mee.
Het “Huisgezin van God”.
Daar hoort opvoeden ook bij natuurlijk. Zo mooi! Diverse Bijbelstudiegroepen kwamen. De Bijbel ging open en we leerden veel. Maar wat als je ook leert van anderen? Mag dat? Elkaar bevragen en scherp houden is goed he, begrijp me niet verkeerd! Kun je echter ‘eisen’ wie waar naartoe gaat en wie waar naar luistert? Mag je, ook als jonge christen, eigen keuzes maken? Nogmaals, elkaar bevragen en op elkaar toezien is goed he – zegt de Bijbel ook. Maar is dat schouder-aan-schouder of verticaal? Ik werd stiller, bedachtzamer met wat ik wel of juist niet meer deelde. De woonkamer voelde niet meer vertrouwd en ik zocht een stoeltje wat meer naar de zijkant.
Het “Huisgezin van God”.
Ruzies horen erbij. Schurende momenten waarin karakters botsen, confronterende momenten waarin geloof anders bezien wordt. Daar ben ik niet bang voor: een flinke onweersbui klaart de lucht fijn op! Tuurlijk, eenheid is de norm, daar gaan we voor. Daar horen echter ook hobbels bij. Geeft niets, doe een bakkie, en vind elkaar vanzelf weer aan de voet van het kruis. Dat kan heel moeilijk zijn, maar is altijd eenvoudig: waar Christus centraal staat, ís er eenheid en kan over verschillende inzichten gesproken worden vanaf die gemeenschappelijke basis. Toch?
Maar wat als er aan je identiteit in Christus getwijfeld wordt omdat je anders denkt of anders bent? Zo ben ik fysiek ziek. Is dat gevolg van de zonde dat door handoplegging en een krachtig gebed verholpen kan worden? Moeilijk onderwerp, prachtige gesprekken! Diverse zienswijzen en tóch eenheid omdat we weten in Christus verbonden te zijn met elkaar. Dat was deels de werkelijk. Het andere deel was dat er mensen waren die me zeiden dat ze ernstige twijfels hadden of ik eigenlijk wel een wederom geboren christin was… Daar werd mijn identiteit in Christus in twijfel getrokken. Zodra dát gebeurde had ik geen Grond meer om op te staan voor een gelijkwaardig gesprek – afstand groeide.
Ook in de leiding ging het mis. En ik was erg van streek toen ik hoorde dat iemand die er vanaf het begin met hart en ziel bij betrokken was en de kar door weer en wind meegetrokken had, niet meer zou voorgaan en niet meer bij de leiding was. Als je hierover vragen had, mocht je natuurlijk contact opnemen – met de anderen in de leiding. Daar maakte ik graag gebruik van, dit kon zeker tot geen eenrichtingsweg zijn?! Wat ik me herinner van dat gesprek zijn 2 dingen. Hun verbijstering dat ik kwam zoals ik op dat moment was: met kleren waar verfspetters op zichtbaar waren. Druk met een schilderklus had ik niet de tijd genomen om me eerst om te kleden; maar moest dat dan als je jezelf mag zijn in een huisgezin? Zij, strak in pak, vonden dat van wel en lieten mij dat ontstemd weten. Daarnaast weet ik nog goed dat we niet gebeden hebben voor de broeder die niet meer in de leiding zat. Voor zijn welzijn, dat hij dit vast ook heel moeilijk zou vinden. Wel werd me vertelt dat ze zonder enige aarzeling zo aan het avondmaal konden gaan die komende zondag, want zij hadden echt niets verkeerds gedaan.
Een rilling ging door me heen. Ik voelde een kille wind… de woonkamer uit was ik in de gang gekomen. De buitendeur stond open.
Het “Huisgezin van God”
Wat doen die met randkerkelijken? Mensen die er nog wel zijn maar er eigenlijk alleen nog maar bijhangen? Te beschadigd, teveel vragen om zich nog in de woonkamer te wagen, staan er bij elke kerk en groep wel wat mensen in de gang, vlakbij de uitgang… Ik begon minder te komen, ook om andere redenen. Maar ik herinner me niet dat er iemand bij me incheckte hoe het ging, of er wat was en dat soort vragen. Geen hand werd uitgestoken.
Wel werd een oordelende vinger opgeheven als ik veronderstelt iets deed wat niet goed was. Zo was er iemand naar de leiding gegaan om iets dat ik gezegd zou hebben en kreeg ik van één van de leiding, terwijl we na de dienst in een groep nog wat koffie dronken, de wind van voren. Eén op één werd veranderd in talk-of-shame. En het werkte. Mensen zagen het gebeuren. Mensen wisten wat ik wél gezegd had en wat niet. Maar niemand nam het voor me op. De groep zag, zweeg en keek weg. Ik rilde van de kou. Waar was m’n jas? Waar is de uitgang? Of zal ik toch nog even in blijven? Ik wíl helemaal niet weg?!

Het “Huisgezin van God”
Waar zondige mensen bij elkaar komen, wordt gezondigd. Inkoppertje. Kom je ook de gevolgen van zonden tegen. Ook een inkoppertje. En met regelmaat krijg je een meer dan grote tik van zonden in levens van anderen mee. Omdat je door vriendschap er bij betrokken bent of omdat het om je familie gaat bijvoorbeeld. Is moeilijk en verdrietig, maar he, we hadden elkaar ook nog als “huisgezin van God” dus je stond er niet alleen voor, toch?
Zo was ik al jaren in toenemende mate intensief betrokken bij een ingewikkelde, moeilijke situatie die absoluut niet Gods bedoeling was: het huwelijk van mijn ouders in zwaar weer. Voor lange tijd poogde ik beide op een weg naar herstel te wijzen. Ga ik nu verder niet op in. De situatie werd echter concreet onveilig en mijn moeder trok bij mij in. Daar was mijn vader natuurlijk niet blij mee – hoe moeilijk ook, best begrijpelijk. Hij sprak erover met mensen van de groep, bezeerd als hij was. Goed! Dit zijn mensen die van de Heer houden en door Zijn Geest geleid, zullen ze hem kunnen helpen en bijstaan, in waarheid en met liefde. Toch? Maar wat vertelt werd, werd voor waar aangenomen en niet gecheckt. Er werd onderling over gesproken. Meningen werden gevormd. Oordelen volgden daarop al snel. Er werd gepraat. Maar niet met mijn moeder en al helemaal niet met mij. Mijn moeder vroeg hen nog om raad en geestelijke bijstand en ikzelf had ook wel wijsheid van Godsmannen kunnen gebruiken. Maar niemand kwam. Er werd niet terug gebeld. Mailtjes bleven onbeantwoord. Het was stil. Oorverdovend stil.
Het was zó koud, ik keek om me heen en zag…
Ik stond buiten.
Alleen.
Afgedaan.